Hoe moet ons land bestuurd worden?

(longread, 2913 woorden, ± 14 minuten leestijd)

Het politieke landschap raakt versnipperd. Decennialang waren er drie grote partijen (PvdA, CDA, VVD) en was het na de verkiezingen altijd de vraag of er een PvdA-CDA- of een CDA-VVD-kabinet zou komen. Beide mogelijkheden hadden een meerderheid in de tweede kamer. Na de verkiezingen van 2012 was er maar één mogelijkheid voor het vormen van een meerderheidskabinet van twee partijen. (TK2012: VVD 41 zetels, PvdA 38 zetels.) Al eerder, na de verkiezingen van 2010, waren er drie partijen nodig en ook na de verkiezingen van 2017 zal men voor een meerderheid meer dan twee partijen nodig hebben. (TK2010: VVD 31, PvdA 30, PVV 24, CDA 21.)
Er speelt nog iets anders dan deze versnippering, en dat is dat de mensen zich steeds

 

minder vertegenwoordigd voelen door de politieke partijen. Dat blijkt onder anderen uit de grote schommelingen die de meeste partijen ondergaan, zowel in de opeenvolgende verkiezingsuitslagen als in de tussentijdse opiniepeilingen. Voor 1980 had je nauwelijks zwevende kiezers. Die term is uitgevonden om de kiezers aan te duiden die niet altijd op dezelfde partij stemmen, of nog niet weten op welke partij ze zullen gaan stemmen. Die zwevende kiezers zijn steeds talrijker geworden en tegenwoordig bepalen zij in grote mate de verkiezingsuitslag.

Hét grote probleem van deze tijd is de massa-immigratie. De problemen rond allochtonen in het algemeen en de vluchtelingencrisis in het bijzonder vormen een splijtzwam in de politiek en in de samenleving. Beide kampen staan tegenover elkaar met een nog nooit vertoonde felheid. In het verleden zijn er ook felle discussies geweest, over kernwapens, over abortus, over Vietnam; maar al die discussies verbleken bij de felheid waarmee vandaag de dag argumenten worden ingebracht. Toen vond men het al heel wat om president Johnson voor moordenaar uit te maken, of om de Christelijke partijen voor achterlijk uit te maken. Nu maakt het ene kamp het andere uit voor nazisten en omgekeerd voor landverraders. Het is op de sociale media gemakkelijk om je in sterke bewoordingen uit te drukken en wat dat betreft hadden de provo’s het moeilijker, want die moesten met spandoeken de straat op. Maar essentieel is dat een substantieel aantal mensen het echt meent als ze het over “nazisten” of “landverraders” hebben. Die woorden worden niet alleen in de sociale media, maar ook in de mainstream-media gebruikt.
Een ander probleem is de bureaucratische werkwijze van de EU. Men voelt zich niet vertegenwoordigd door de EU. En ook daarin speelt de massa-immigratie een grote rol. Maar bureaucratisch of niet, als de EU besluiten zou nemen die door de meerderheid van de bevolking gedragen werden, dan zou men zich wèl vertegenwoordigd voelen.

Steeds vaker duiken er buitenstaanders op in de politiek die orde op zaken willen stellen. Het mooiste voorbeeld hiervan is Nigel Farage, die naar eigen zeggen de politiek inging om Groot Brittannië uit de EU te krijgen en zijn vertrek aankondigde toen dat gelukt was. Gevestigde politici reageren daar zeer geïrriteerd op en dat is begrijpelijk. Het is erg irritant als iemand van buiten jouw professie komt vertellen wat jij anders moet doen. Maar de buitenstaanders hebben wel gelijk! Uit het feit dat het Farage gelukt is een meerderheid van de bevolking achter zich te krijgen in het Brexit-referendum, blijkt dat de gevestigde politici de bevolking niet representeerden. Het is dus hun eigen schuld, ze worden gecorrigeerd omdat ze er zelf een potje van gemaakt hebben. In Nederland hebben we Pim Fortuyn gehad als buitenstaander, die op de dag dat hij vermoord werd, de grootste was in de peilingen. Wilders etaleert zich graag als anti-establishment, maar strikt genomen is hij dat niet. Hij zat al in de tweede kamer voordat hij besloot de koers van Fortuyn te gaan varen.

Wilders ageert tegen wat hij noemt “de elite”. En inderdaad voelen veel mensen zich niet meer vertegenwoordigd door de politiek. Het lijkt dus allemaal te maken te hebben met allochtonen, met massa-immigratie, of met de islam. Die dingen bij elkaar vormen één grote splijtzwam en creëren daarmee een scheidslijn tussen het establishment (“de elite”) en de rest. “De elite” doet daaraan mee door consequent de Wilders-aanhang als fascist, of iets anders ongewensts, weg te zetten, ook toen Wilders maandenlang in de peilingen op 25% stond. Het establishment vind dus 25% van de bevolking fout. Niet “een andere mening”, maar “fout”. Een gedeelte van de verklaring voor dit onbeschofte gedrag van de gevestigde politici is naar mijn idee dat ze bang zijn voor een herhaling van Hitler, zie “Het spook van Adolf Hitler“.

Maar er is meer aan de hand. Aan de verkiezingsuitslagen zie je dat Wilders (of zijn thema) niet de oorzaak van de versnippering is. Het probleem van de massa-immigratie kan niet de enige oorzaak zijn dat veel mensen zich niet vertegenwoordigd voelen. De schommelingen in verkiezingsuitslagen en peilingen treden in vrijwel alle partijen op. En hoe kan het dat de mensen in de Verenigde Staten zich tegen het establishment keren? Net als in Europa. Ik denk niet dat in de VS de angst voor een nieuwe Hitler meespeelt. Hitler zit in Amerika niet zo sterk in het collectieve geheugen als hier. De VS heeft niets te maken met de massa-immigratie van Europa. Wel hebben ze last van illegale Mexicaanse immigranten, maar niet zo massaal dat de anti-establishmentkandidaat Trump daardoor een kans maakt. Ze hebben 11 september gehad, veel dramatischer dan de aanslagen in Europa, maar dat heeft zich in de verkiezingen van 2004 en 2008 niet vertaald in een afkeer van het establishment. Waarom zou dat nu wel zo zijn? Dat kan niet de reden zijn. Er klopt iets niet, zo lijkt het.

We bevinden ons nu in de derde golf. De eerste golf was de landbouw. De tweede golf was de industriële revolutie, nu alweer meer dan 300 jaar geleden. De derde golf is de informatiemaatschappij. In de tweede golf waren de industriële produkten de belangrijkste goederen in de economie. Nu is informatie ons belangrijkste goed. Dat heeft zijn uitwerking op alle facetten van ons leven. Informatie als belangrijkste economisch goed betekent dat andere goederen naar verhouding minder belangrijk zijn. Alle zware industrieën verkeren in problemen, niet omdat we geen staal meer nodig zouden hebben, maar wel omdat bijvoorbeeld staal niet meer de pijler onder de economie is. Het gaat niet alleen maar om bepaalde beroepen die verdwijnen en waarvoor andere beroepen terug komen. Het gaat om veel meer, alles wordt anders. Voor veel dingen maakt het bijvoorbeeld niets meer uit waar je je ter wereld bevindt. De globalisatie wordt vergemakkelijkt door informatietechnologie. Tegelijkertijd maakt de informatietechnologie juist lokale produktie mogelijk, bijvoorbeeld door middel van 3D-printers. De stad wordt steeds belangrijker, terwijl de staat aan belang inlevert. Lokale bestuurders staan dichter bij de mensen om wie het gaat en zijn soms beter in staat om de geldende problemen op te lossen dan landsbestuurders. Verbanden worden anders, maar ons bestuur is daar nog niet op ingericht.

De tweede golf had zes kenmerken: standaardisatie, specialisatie, synchronisatie, concentratie, maximalisatie en centralisatie. We maakten standaardprodukten, daarvoor was het nodig dat een ieder zich specialiseerde in een deel van het produktieproces, we werkten tegelijkertijd omdat we op elkaar moesten aansluiten, we concentreerden de produktie op één plaats, in plaats van dat we maakten wat we zelf nodig hadden maakten we zoveel mogelijk en we stuurden dat allemaal centraal aan. Maar niet alleen het werk werd op deze manier gestructureerd, de hele samenleving raakte hiervan doordrenkt. Een leuk voorbeeld vind ik dat je op tijd op je werk moet komen. Op tijd komen leek eeuwenlang een normaal teken van beschaving, maar het was een typisch tweede-golfverschijnsel (synchronisatie). Tegenwoordig komen de meeste mensen op hun werk aan op de tijd die hun schikt. Een ander voorbeeld is de natiestaat, ook dat is een uitvinding van de tweede golf (centralisatie).

Als metafoor zou je kunnen zeggen dat alles in de tweede golf op een fabriek lijkt. In het bestuur zie je hiervan vooral de standaardisatie en centralisatie. Alle arbeiders hadden in de tweede golf ongeveer dezelfde belangen. Daar was een vakbond voor en in de politiek werd er een arbeiderspartij opgericht. Onze politieke partijen zijn in bepaalde opzichten net fabrieken. De kiezers uit de achterban worden geacht allemaal ongeveer hetzelfde te vinden. Ooit was dat zo. Als je op de arbeiderspartij stemde, dan was je het in vrijwel alle zaken met die partij eens, van sociale wetgeving tot buitenlands beleid. Vandaag de dag wordt de maatschappij steeds diverser. De grote groepen van “standaardmensen” worden diffuser. Het is heel goed mogelijk dat een en dezelfde persoon het op het gebied van defensie met de VVD eens is en op het gebied van milieu met Groen Links. Of omgekeerd. De politieke partijen verliezen hun legitimatie doordat de maatschappij niet meer uit herkenbare groepen bestaat. Dat is er aan de hand.

De meeste mensen zien dit niet, de meeste politici ook niet. Toch is dit al in 1980 beschreven door Alvin Toffler in ‘De Derde Golf’. Als je discussies leest in fora of discussies hoort op televisie dan merk je dat de meeste mensen dit boek of de ideeën daaruit niet kennen. En dat is jammer, omdat dit boek een belangrijk inzicht geeft. Het boek beschrijft niet waar we in de toekomst zullen uitkomen, maar geeft wel heel precies aan waar we niet zullen uitkomen, welke oplossingen niet zullen werken. Over het algemeen zullen de tweede-golfkenmerken verdwijnen en zal alles wat door deze kenmerken beschreven wordt, minder belangrijk worden. Zo zal de natiestaat minder belangrijk worden. Het nationalisme dat soms door Wilders verkondigd wordt, slaat dus nergens op. Dat is uit. Wat dan weer wel klopt is zijn weerzin tegen de EU, want dat is een soort van superstaat. Sterke leiders zijn ook uit, want die passen niet bij de nieuwe diversiteit. Nieuwe leiders zullen sterk moeten zijn in het sluiten van compromissen. Ik vind dat alle politici dit boek zouden moeten lezen. Het kan ons behoeden voor verkeerde beslissingen. Het geeft een leidraad zonder daarbij een politieke voorkeur te kiezen.

Zou een twee-partijenstelsel de oplossing zijn? In Groot-Brittanië en in de VS kennen ze een districtenstelsel. Als gevolg hiervan blijken zich twee partijen te vormen. Dat is zo’n interessant geval van een indirect – en misschien wel onvoorzien – gevolg van de aangenomen regels. Een districtenstelsel leidt op de een of andere manier altijd tot een twee-partijenstelsel. In zo’n twee-partijenstelsel bewegen alle standpunten zich naar het politieke midden. Je kunt niet te ver afwijken van de tegenpartij, want dat kost je stemmen. Dus ondanks het feit dat de Amerikaanse en Britse kiezers zich minder genuanceerd kunnen uitlaten dan de Nederlandse, zou de wil van het volk misschien wel beter gevolgd worden. In Nederland is er misschien een partij waarin je je helemaal kunt vinden, maar vervolgens heeft die partij eigenlijk geen invloed. Bovendien bepaalt de kiezer in een twee-partijenstelsel welke regering er komt en dat is een duidelijk voordeel boven ons gepolder. Het eigenaardige in dit hele verhaal is het geval Trump.
Trump is een buitenstaander. Maar waarom heeft het electoraat behoefte aan zo iemand in een politiek systeem waarin de standpunten zich automatisch naar het politieke midden bewegen? Het duidt er op dat ook een twee-partijenstelsel niet goed meer werkt in de derde golf.

Is het dan misschien een oplossing om per thema te stemmen? Dan worden de verkiezingen wel ingewikkeld. Want hoeveel thema’s zijn er wel niet? Als ik ieder ministerie als thema neem, dan kennen we op dit moment elf thema’s: Algemene Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Buitenlandse Zaken, Defensie, Economische Zaken, Financiën, Infrastructuur en Milieu, Onderwijs Cultuur en Wetenschap, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Veiligheid en Justitie, Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Hoe moet de kiezer zich op elk van deze elf thema’s uitspreken? Moeten er dan per thema partijen of stromingen gevormd worden? Een thema is een beleidsterrein en je kunt niet een heel terrein vereenvoudigen tot één referendumvraag. In plaats van een referendumvraag zou je per thema op een van de huidige partijen kunnen stemmen. Dus bijvoorbeeld voor Algemene Zaken stem ik op PvdA, voor Binnenlandse Zaken stem ik op CDA, voor Buitenlandse Zaken stem ik op VVD, enzovoort. En voor een aantal thema’s stem ik natuurlijk op dezelfde partij.
Het lijkt me dat de huidige partijstructuren op die manier onder druk komen te staan. Een oplossing die uitgaat van bestaande partijen ontkent altijd het onderliggende probleem, namelijk de diversiteit van het electoraat. Na de diversiteit van de burgers krijg je na enige tijd waarschijnlijk ook politici die op het ene thema voor de ene en op het andere thema voor de andere stroming zijn. Of je zou politici moeten hebben die zich slechts met één terrein bezig houden. Dat zou kunnen, net als wetenschappers die alleen over hun eigen terrein uitspraken kunnen doen. Maar wie bepaalt in zo’n systeem welke thema’s er zijn? Want ook dat is een politieke keuze. En hoe ga je om met botsende belangen tussen verschillende thema’s? Hoe ga je om met beleidsvraagstukken die meerdere thema’s raken? Neem bijvoorbeeld de massa-immigratie, onder welk thema valt dat? Of maken we daar een apart thema van? Dit soort overwegingen doet de vraag rijzen of het stemmen per thema überhaupt wel werkbaar is. Wordt het niet veel te omslachtig om werkbaar te zijn?

Onze vertegenwoordigende democratie lijkt niet goed meer te werken, omdat er teveel kiezers zijn die zich niet of niet goed vertegenwoordigd voelen. Dat geldt in ons veel-partijenstelsel en dat geldt ook in het Angelsaksische twee-partijenstelsel. Het alternatief zou moeten zijn om niet langer te denken in partijen, maar dat lijkt onwerkbaar te zijn door zijn complexiteit. Democratie is bestuur door het volk. Daarmee bedoelen we een meerderheid. Idealiter wordt ieder beleidsbesluit gedragen door een meerderheid van de bevolking. (Die meerderheid hoeft natuurlijk niet steeds dezelfde groep te zijn.) Of eigenlijk ligt het iets genuanceerder. De meeste beleidsbeslissingen vereisen een grondige studie en de meerderheid van het volk heeft dat niet gedaan. Wat we (moeten) willen is die besluiten nemen, die de meerderheid van de bevolking zou nemen als ze zich er in verdiept hadden. De uitdaging is om een systeem te bedenken dat dit uitgangspunt van besluit bij meerderheid het beste garandeert.

Het is niet duidelijk hoe dat zou moeten. (Erger is dat er ook veel te weinig over nagedacht wordt.) Ik denk dat het belangrijk is dat besluiten niet “te groot” worden genomen. Momenteel wordt vrijwel alles landelijk beslist, maar misschien kunnen sommige zaken beter op een ander niveau beslist worden. Niet alle zaken zijn voor iedereen van toepassing. Sommige vraagstukken vragen om een mondiale aanpak (klimaatverandering), maar het is beslist niet zo dat alle vraagstukken het beste mondiaal aangepakt kunnen worden en dat we naar een wereldregering zouden moeten streven. Sommige vraagstukken vragen om een Europese aanpak (vluchtelingen), sommige vragen om een landelijke aanpak (snelwegen) en sommige kunnen wellicht beter lokaal aangepakt worden (overlast bijvoorbeeld). Dit is een opsomming van een geografische opdeling, maar het is ook weer te simpel om alleen te denken in geografische gebieden. In de derde golf maakt het voor veel dingen niet meer uit waar iemand zich bevindt en dat zal zich moeten vertalen naar hoe de besluitvorming is ingericht. Stel als voorbeeld dat er regelgeving moet komen voor ZZP-ers, moet iedere Nederlander daar een stem in hebben? Dit is nou een voorbeeld van een niet-geografische indeling. De ZZP-ers zijn niet gebonden aan een locatie, ze zitten overal verspreid. Ik zou me ook kunnen voorstellen dat bepaalde groepen zich gaan organiseren en zich op bepaalde terreinen losmaken van de huidige overheid. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat alle Christenen tezamen een zorgsysteem opzetten, met hun eigen financiering. Want als er verschillen van inzicht bestaan over hoe de zorg ingericht moet worden, waarom zou dat dan voor alle Nederlanders hetzelfde moeten zijn? Daar zouden mensen van buiten de groep dan geen stem in (moeten) hebben. De wetgever moet de wet zodanig inrichten dat dit soort van initiatieven wettelijk mogelijk is. Besluiten moeten zoveel mogelijk genomen worden door de mensen die het aangaat, niet door de overige burgers die er geen belang bij hebben. In een supergrote besluitenfabriek als de EU zie je dat het erg moeilijk is om het ergens over eens te worden. Men vindt dan over het algemeen wèl dat het belangrijk is dàt er een besluit wordt genomen, maar kan het niet eens worden wèlk besluit dat moet zijn. Maar is het nemen van een besluit wel altijd zo belangrijk? Ik zou zeggen: als je het niet eens kunt worden, moet je geen besluit nemen. Dan moet een besluit op een minder groot niveau genomen worden, door een groep die het wel eens kan worden. En die groep kan heel divers zijn. Het kan gaan om de groep Nederlanders, of om de inwoners van een bepaalde stad, of om de groep van internetondernemers, of om een bepaalde beroepsgroep, of om de Nederlandse jongeren, enzovoort. Sommige groepen zijn geografisch te lokaliseren, andere niet.

Politieke vernieuwing is noodzakelijk om aan te sluiten bij de steeds verdergaande diversificatie van de maatschappij. Hoe dat vorm zal moeten krijgen, is een grote uitdaging. Ik denk dat een deel van de oplossing zit in het aanbrengen van verschillende niveau’s, waarbij ieder deelgebied zijn specifieke voorwaarden kent, maar ook zijn specifieke niveau’s. Er kan geen sprake meer zijn van standaard bestuurslagen die voor ieder deelgebied gelden. Ieder beleidsterrein zal zijn eigen bestuurslaag hebben, gesteund door een meerderheid onder de voor dat gebied van toepassing zijnde belanghebbenden. Overheden zullen zich moeten beperken tot beleid dat voor alle inwoners relevant is en waarvoor onder de bevolking als geheel een meerderheid bestaat.

Advertenties

2 thoughts on “Hoe moet ons land bestuurd worden?

  1. Mooi stuk,
    De derde kamer kan voor vraagstukken een zetelverdeling maken op basis van verkiezingsuitslagen. Aanvullende referenda behoren tot de mogelijkheid.
    Een uitgebreide ‘stemwijzer’ kan in veel gevallen al voldoende informatie bevatten waardoor dat niet vaak hoeft.

    Liked by 1 persoon

  2. Doet me denken aan een stuk dat ik zelf ooit schreef (kan het verdorrie nergens terugvinden). Daarin pleit ik voor zoveel mogelijk overheveling van zeggenschap richting de kleinst mogelijke groep. Inderdaad, wat alleen op grotere schaal kan op grotere schaal regelen, maar dan wel op de schaal die het minst groot is. Dus op Europees niveau wat op dat niveau nog best kan, maar niet op landelijk niveau. En op het niveau van de wijkraad wat daar nog prima kan. En zelfs nog een niveau kleiner, namelijk de straat of de enkele straten.
    Een van de rechten voor op wijkniveau is, wat mij betreft, de toetsing van een religieuze gemeenschap die zich graag in de wijk wil manifesteren: https://pvanlenth.wordpress.com/2005/07/19/voorstel-religieuze-gemeenschap-lokaal-te-toetsen/ (deze kon ik nog wel terugvinden).
    Waar het volgens mij altijd om gaat (de waarde) is dat er voldoende samenhang door de bewoners wordt ervaren. Samenhang = eendracht = samenleving. Dat is een basisvoorwaarde voor vredig en vol vertrouwen met elkaar omgaan.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s