Een vluchteling in huis

Na mijn scheiding in 2002 kon ik niet een complete woning betalen, dus besloot ik twee kamers te onderverhuren. Ik plaatste een advertentie in de krant en meteen op de dag van plaatsing kwamen de gegadigden. De grootste en duurste kamer was het eerst vergeven, aan een zakelijke jongedame. Voor de kleine kamer …

 

kwamen er eerst drie gegadigden die ik afwees. Ik vond dat ik met hen geen afspraken kon maken. Ik had nagedacht over welke eisen ik wilde stellen aan iemand die ik in mijn huis toeliet en de belangrijkste eis was dat ik met zo iemand goede afspraken moest kunnen maken. Over de huur, over het gebruik van de keuken, over schoonmaken, enz. Dat betekent dat iemand voor rede vatbaar moet zijn, maar ook dat hij of zij fatsoenlijk Nederlands of Engels moet spreken. De eerste twee waren blanke mannen met wie geen land te bezeilen was, de derde was een Indiër met wie ik nauwelijks kon communiceren. Toen kwam er iemand uit een azc. Het was een pikzwarte jongeman uit Burundi. Hij kon een woning zoeken omdat hij de A-status had gekregen, ik mag hem dus niet een vluchteling noemen, want dat ben je niet meer als je de A-status hebt. Hij sprak op dat moment al voldoende Nederlands en hij sprak Engels. Tijdens het gesprek liet hij subtiel vallen dat hij Christen was. Hem heb ik aangenomen en hij heeft twee en een half jaar bij mij in huis gewoond. Hij betaalde zijn huur altijd op tijd, kwam altijd zijn afspraken na en veroorzaakte nooit overlast, kortom hij was een voortreffelijke huurder.

Ik heb een hekel aan discriminatie. Toen ik in 1996 voor het eerst in Amsterdam ging werken, vond ik het vervelend dat alle lage functies door zwarten werden uitgeoefend. Dat was toen nieuw voor mij. In de plaatsen waar ik tot dan toe gewoond of gewerkt had – Nijmegen, Eindhoven, Utrecht – waren de schoonmakers ook blank. Maar in Amsterdam waren schoonmakers en buschauffeurs meestal bruin. Ik vond het vreemd dat zo’n situatie jarenlang bestond en dat iedereen dat als normaal accepteerde. Waarom doen ze daar niets aan, was een gedachte van mij. Onder mijn collega’s kende ik twee zwarten, zeg maar één procent; onder schoonmakers en buschauffeurs was het omgekeerd, slechts een paar procent blanken.
Maar als ik nu, op grond van argumenten, bezwaar heb tegen het binnenlaten van de stroom vluchtelingen, dan wordt ik voor xenofoob uitgemaakt. Het geeft aan hoe onzinnig dat argument is. “Onbekend maakt onbemind,” hoor ik bekende Nederlanders op televisie zeggen, maar de mensen die bezwaren hebben tegen al die buitenlanders, zijn juist de mensen die er ervaring mee hebben. Het zijn de mensen die hun stadswijken hebben zien verloederen en die in groten getale naar forensensteden gevlucht zijn, het zijn de mensen die de toegenomen criminaliteit aan den lijve ondervonden hebben. Hoezo onbekend? De mensen die dat zeggen, hebben juist geen ervaring met allochtonen. Zij kennen alleen die één procent niet-blanke die het wel gemaakt heeft. Het maakt hun argument elitair, want zij “weten het beter” dan de mensen die hun stadswijken hebben zien veranderen door de komst van teveel buitenlanders. Zij sluiten hun ogen in hun weldadig aanvoelende superioriteit en zij “weten het beter” dan de mensen die de overlast van teveel allochtonen zelf ondervonden hebben. En zij hebben er zelf geen last van, hoe erg het ook uit de hand loopt.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s