De malaise in de wetenschap van de jaren ’90

In het begin van de jaren ’90 was de sfeer slecht in de wetenschap. Er heerste malaise. Er was veel bezuinigd op de universiteit, de nominale studieduur werd verkort tot vier jaar, hele studierichtingen waren opgeheven. Op de nog bestaande subfaculteiten was niet alleen op budgetten bezuinigd, maar ook op het personeel. Functies waren geherdefiniëerd, zodat medewerkers opnieuw moesten solliciteren. Eigenlijk solliciteerden ze naar hun eigen baan, maar slechts een gedeelte werd aangenomen.


Afgestudeerden konden alleen als AIO aan de slag. AIO staat voor Assistent in Opleiding. Een AIO heeft een betrekking voor vier jaar en behoort die vier jaar af te sluiten met een promotie, dus een proefschrift. De salarisschalen bij de overheid lagen vast, maar toch wilde de regering minder betalen. Daarom bedacht men het AIO-systeem. Een promovendus wordt geacht in opleiding te zijn en krijgt daarom niet een voldtijds salaris. In het eerste jaar ontvangt hij of zij slechts 55% van een voltijds salaris, in de jaren daarna klimt dat op tot 100% in het vierde jaar. In die jaren had menig AIO niet genoeg aan die vier jaar, dus werd er daarna een half jaar of een jaar aan het proefschrift doorgewerkt. Onbetaald, met de status van werkloze.
Wat een verschil met het oude systeem. Toen werd je gewoon aangenomen op een baan als onderzoeker. In de loop der jaren bepaalde je een onderwerp om te promoveren en daar werkte je dan jaren aan. Gedeeltelijk in de baas zijn tijd, gedeeltelijk in je eigen tijd. Door te verzinnen dat een promovendus niet een normale werknemer is, maar eigenlijk in opleiding, kon de regering fors bezuinigen op de uitbetaalde salarissen.
Geen wonder dat je soms voor gek verklaard werd, als je als AIO ging werken. AIO’s praten elkaar soms ook de put in, weinig mensen waren enthousiast. Velen waren AIO geworden omdat ze anders werkloos zouden zijn. Wat in 1981 aangekondigd was als een tweede fase, een gespecialiseerde vervolgopleiding voor de beste studenten, werd uiteindelijk een verdere verslechtering van de bestaande situatie.
Veel mensen hebben geen idee van de troosteloze sfeer van toen en daarom schrijf ik dit stukje geschiedenis. Ik heb nog een artikel dat die tijdgeest heel aardig weergeeft, inclusief de politieke retoriek – een kweekvijver van jeugdig academisch talent – waarmee het stelsel verdedigd werd. Het is een column door Jos van der Lans in het KU-nieuws (een krantje van de Universiteit Nijmegen) van 23 maart 1990, getiteld: “De oudste AiO”.

De oudste AiO

‘Waar zullen we afspreken,’ vraag ik Ruud V. door de telefoon. Aan de andere kant van de lijn kraakt een hoorbare stilte. Ruud V. aarzelt. ‘Zal ik bij jou langs komen,’ probeer ik de impasse te doorbreken, maar dat stuit op een beslist ‘neen’. Ook op de universiteit wil hij niet afspreken, want daar zit hij met zes mensen op een kamer. Na veel passen en meten spreken we af in de mensa, op voorwaarde dat ik de kosten van de maaltijd betaal.
Ruud V. is 55 jaar en waarschijnlijk de oudste AiO in Nederland. Het heeft veel moeite gekost om hem te vinden, want het wemelt in Nederland van de AiO’s-op-leeftijd. Steeds als ik de oudste te pakken dacht te hebben, bereikten mij weer geruchten dat er nog oudere exemplaren op onze vaderlandse universiteiten rondliepen.
Vooral de sociale weetenschappen in dit land lijken een voorkeur te hebben voor de oudere AiO. Wat een kweekvijver van jeugdig academisch talent zou moeten zijn, blijkt in de praktijk van de humanoria in veel gevallen te zijn uitgegroeid tot een tijdelijk verblijfsoord voor werkloze academici, die op de universiteit de door de bezuinigingen geslagen gaten opvullen. Het predicaat Assistent in Opleiding slaat dan ook nergens op, want niemand weet waarvoor er eigenlijk opgeleid moet worden. Er zijn dan ook maar weinig hoogleraren of universitaire (hoofd)docenten te vinden die zich intensief met het lot van deze AiO’s bemoeien. Waarom zouden ze?
Ruud V. kan daarover meepraten. Terwijl hij zijn mes zet in een gaargestoomd karbonaadje meldt hij dat hij zijn hoogleraar twee jaar geleden voor het laatst gezien heeft. Hij treurt er overigens niet om, want hij heeft het toch te druk met de werkcolleges die hij moet geven voor een groep van twintig studenten. Wekelijks vindt hij in zijn postvakje een lijst van artikelen, die hij moet opzoeken en samenvatten en dan weer moet retourneren in het postvakje van zijn hoogleraar. Daarnaast verricht hij in het kader van zijn proefschrift een literatuurstudie en werkt hij een lijst van 234 te interviewen personen af. Tenslotte kijkt hij nog tentamens na en is hij betrokken bij het onderzoek van de twee UHD’s op de vakgroep. ‘Dat is dus al snel een zestigurige werkweek’, concludeert Ruud V. nakauwend op zijn laatste hap van een wat ondefinieerbare mensagroente.
Over twee jaar hoopt Ruud V. te promoveren. Daarmee komt een einde aan een carrière, die hem via de pedagogische academie, een tiental jaren les geven, een achtjarige studie sociologie, vier tijdelijke academische aanstellingen, wat jaren werkloosheid er tussen door en tenslotte een AiO-schap eindelijk verheft tot de status van doctor in de sociale wetenschappen. Verheugt hij zich daarop?
Ruud V. neemt een hap van zijn roze toetje en haalt zijn schouders op. ‘Ach, tegen die tijd ben ik vrijgesteld van de sollicitatieplicht en krijg ik een fatsoenlijke uitkering. Via-via heb ik begrepen dat mijn vakgroep er wel wat voor voelt om op vrijwillige basis met mij in zee te gaan. Ik krijg dan waarschijnlijk een eigen kamer. Dat lijkt me wel wat.’

Jos van der Lans

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s